Roodpakje deel 1

Het sprookje van Roodpakje en de Grote Oude Kampioen

Er was eens een mannetje dat woonde op een heel klijn dijkje op de grote vlakte aan de rand van het bos. Elke maandag ging hij met zijn schepnetje en kokertje ganzenveren op weg naar de grote stad. Onderweg groette hij iedereen vrolijk en vooral luidruchtig vanachter zijn dikke snor. De bakker, de slager, de groenteboer, iedereen groette hem even vriendelijk terug met de woorden “dag Roodpakje”. Eigenlijk had zijn moeder hem een andere naam gegeven. Maar omdat hij altijd zijn vertrouwde rode trainingspakje droeg, noemde iedereen hem voor het gemak Roodpakje.

In de grote stad leerde hij de mensen een spelletje dat je moest spelen met een schepnetje en ganzenveren. De spelers moesten daarbij in een bad staan. Voor de gevorderde spelers was het spel nog moeilijker. Zij moesten namelijk in een ton rondlopen. Het spelletje werd zo populair dat de stad al gauw tot in de wijde omtrek bekend stond als Ganzenstad.

Roodpakje, die vroeger zelf het spelletje ook goed kon spelen, koesterde al lange tijd een grote wens. Hij was vroeger zelfs zo goed geweest dat hij in de ton mocht spelen. Maar de laatste jaren moest hij voor zijn almaar groeiende gezinnetje zorgen en kwam van spelen weinig meer. Ja, een keertje voordoen voor de mensen in de Ganzenstad. Maar een echte wedstrijd, dat was lang geleden. Niet dat hij ontevreden was hoor, hij verdiende tenslotte een dik belegde boterham voor zijn gezinnetje met het uitleggen van het spelletje. Als hij wilde, kon hij elke dag wel in een of andere stad les geven. Maar Roodpakje was ook een beetje lui. Hij vond 1 keer in de week lesgeven wel genoeg en de spelers van de Ganzenstad wilden daar wel behoorlijk wat goudstukken voor neertellen.

Op een maandag in de winter, het was guur en het sneeuwde onophoudelijk, ging Roodpakje weer naar de Ganzenstad. Hij had een simpel lesje in elkaar gedraaid en hoopte stiekem dat er een oneven aantal spelers zou komen. Dan kon hij misschien met het eerste team meedoen. De gedachte daaraan deed Roodpakje van binnen al hevig gloeien. Van de koude buitenlucht merkte hij niets meer.

Bij de Ganzenhal aangekomen moest Roodpakje tot zijn ontzetting, die hij nauwelijks kon verbergen, vaststellen dat het eerste team compleet was. Bankdirecteur Bentenvelde was er en ook jongvrouw Nadien van Oost tot West en prinses Cornelia Schrikdraad probeerden met hun schepnetje de ganzenveren te vangen. Even had Roodpakje nog de hoop dat Peter de Prater niet zou komen. Die was immers altijd laat want als hij de kans kreeg ergens in de publiciteit te komen dan liet hij dat zeker niet na. Roodpakje’s hoop verdween echter al even snel als die was opgekomen. De kleedkamerdeur zwaaide open en daar stond Peter de Prater in vol ornaat. Roodpakje had diep ontzag voor hem. Peter de Prater speelde al jaren in de ton ondanks dat de sleet er al behoorlijk op begon te komen. Aan zijn ene knie was De Prater door de bevriende chirurgijn Grotejaap al eens flink te pakken genomen.

Zijn andere knie stond nu in de steigers en Roodpakje had zich menigmaal afgevraagd hoe De Prater daarmee nog in de ton kon spelen. Blijkbaar hield hij zoveel van het spelletje dat hij daar graag wat ledematen voor in de waagschaal wilde stellen.

Tijdens de les liep Roodpakje te verzinnen hoe hij zaterdag in de competitie toch met het eerste team zou kunnen meespelen. Hij had genoeg tijd om daar over na te denken want de spelers moesten al het zware werk doen, nietwaar. Het eerste team moest die zaterdag spelen tegen het kampioensteam uit Koekstad. En wat zou er voor Roodpakje nu mooier zijn dan tegen de Grote Oude Kampioen te laten zien hoe goed hij wel niet was. Roodpakje dacht en dacht en opeens ging hem een lampje branden. Meneer Bentenvelde, de bankdirecteur, was altijd tuk op geld. Dat wist hij want hij kreeg van Bentenvelde ook altijd zijn gage een week te laat.

Roodpakje verzon daarom een list en ging na de les naar meneer Bentenvelde toe. Hij vertelde hem dat hij al zoveel geld had verdiend met lesgeven dat hij niet meer wist wat hij ermee moest doen. Nou, dat was bij meneer Bentenvelde niet tegen dovemansoren gezegd. Hij nodigde Roodpakje meteen uit een keer langs te komen op zijn kantoor op de harde berg vlak buiten de Ganzenstad waar alle rijke lui woonden. Roodpakje stemde daarmee in en vroeg of zaterdag goed uitkwam. “Welja, natuurlijk”riep meneer Bentenvelde met dollartekens in zijn ogen (voor zaterdag gold namelijk dubbel tarief). “Dan sla ik de wedstrijd tegen de kampioen uit Koekstad wel over. Daar valt voor mij toch geen eer te behalen. Trouwens, daar heb ik de laatste tijd sowieso al veel moeite mee gehad. Kom zaterdag om tien uur maar naar de harde berg dan vertel ik je precies wat je met al dat geld moet doen.” Roodpakje bedankte meneer Bentenvelde hartelijk en keerde gniffelend huiswaarts.

Thuisgekomen vroeg zijn vrouw aan Roodpakje: “Waarom glunder je zo Roodpakje, heb je een verrassing voor mij?” En Roodpakje kraaide van plezier: “Eindelijk , eindelijk gaat mijn wens in vervulling. Zaterdag kan ik een hele wedstrijd in de ton spelen. Zelfs een dubbel met Peter de Prater, je weet wel, die kreupele ouwehoer die altijd dikke maatjes is met meneer Bentenvelde. En een mix met prinses Cornelia Schrikdraad, die altijd zo graag met ton en al omvalt tijdens de wedstrijd. En de tegenstander is niemand minder dan de Grote Oude Kampioen uit Koekstad. Nu kan ik in een klap mijn gages verdubbelen als ik laat zien hoe goed ik ben.”

De dagen verstreken en Roodpakje kwam ’s nachts steeds moeilijker in slaap. Zaterdagmorgen werd hij zoals gewoonlijk gewekt door het irritante geluid van de gele boomklopper. Normaal gesproken werd Roodpakje chagrijnig van dat lawaai maar deze ochtend kon niks hem deren. Vrolijk fluitend trok hij zijn rode trainingspakje aan en ging met zijn schepnetje en kokertje ganzenveren onder de arm op pad. Ondertussen aan de andere kant van de Ganzenstad ging meneer Bentenvelde ook fluitend op weg naar zijn kantoor op de harde berg. Hij verheugde zich al op de stapels geld die hij Roodpakje vandaag afhandig zou maken.

Roodpakje arriveerde tenslotte bij de Ganzenhal. De spelers van het eerste team waren al aanwezig, alhoewel jongvrouw Nadien van Oost tot West nog wel wat afwezig leek. Ze had een zware week op school achter de rug. De spelers waren nerveus want meneer Bentenvelde had zich om onbekende redenen op het laatste moment afgemeld en ze hadden geen invaller. Maar toen de nood het hoogst werd, stapte Roodpakje kordaat de speelzaal in. Hij probeerde zo verbaasd mogelijk te doen toen voorzitter Groenteveld hem uitlegde dat meneer Bentenvelde zich had afgemeld. “Och wat sneu”, veinsde Roodpakje, inwendig juichend omdat zijn plannetje ging lukken. “En hoe moet dat nu verder?” Tja , dat wist voorzitter Groenteveld ook even niet.

Toen kwam Janerik West-ingang met een idee. Hij speelde samen met voorzitter Groenteveld in het tweede team. Een team waar drank en lol belangrijker leken dan winnen. Janerik West-ingang stelde voor om Roodpakje in te zetten. Zelf had Janerik daar namelijk niet zo’n trek in. Hij zou dan wel erg hard in die ton moeten rondlopen. Bij de gedachte alleen werd hij al moe. Voorzitter Groenteveld vond het een prachtig idee. Logisch want hij kon zelf niets beters verzinnen. Hij vroeg Roodpakje maar die stribbelde nogal heftig tegen met wat smoesjes over conditie en zo. Voorzitter Groenteveld wist die klif echter snel en tactisch te omzeilen door Roodpakje wat extra goudstukken in het vooruitzicht te stellen. Peter de Prater zou dat wel weer oplossen door ergens een sponsortje op te scharrelen.

En zo begon Roodpakje dan eindelijk aan zijn zo lang verwachte wedstrijd. Peter de Prater speelde wat met zijn tegenstander en liet hem in de tweede game expres van een 12-3 achterstand terugkomen tot 13-13 om daarna de partij alsnog af te maken met 18-16. toen was het de beurt aan Roodpakje. Hij klom in de ton en merkte al gauw dat zijn buik daar vroeger wel iets makkelijker inpaste. Tegenstander was de Grote Oude Kampioen van Koekstad. Zowel in koekhappen als in dit spelletje. Dat moest dus geen probleem voor Roodpakje zijn. En hij begon dan ook met veel show en luidruchtig spel de Grote Oude Kampioen op techniek te bespelen. Maar de Grote Oude Kampioen was ook niet van gisteren. Nee, hij speelde het spelletje slim mee en wachtte geduldig tot Roodpakje moe begon te worden. En in de tweede game gebeurde wat alle spelers van de Ganzenstad niet voor mogelijk hadden gehouden. De Grote Oude Kampioen scoorde steeds beter en Roodpakje bewoog steeds moeilijker in de ton. En in de derde game werd het lot van Roodpakje bezegeld. De Grote Oude Kampioen draaide hem helemaal dol. Meer dood dan levend werd Roodpakje door jongvrouw Nadien van Oost tot West en prinses Cornelia Schrikdraad uit de ton gehesen. Dat was een slecht begin voor Roodpakje. Maar gelukkig deden jongvrouw Nadien van Oost tot West en prinses Cornelia Schrikdraad het daarna niet veel beter. Ook zij kwamen na drie games als verliezers uit de ton.

Toen was het tijd voor de herendubbel. Roodpakje en Peter de Prater moesten samen in een ton en de oplettende lezer begrijpt al dat Roodpakje nu nog krapper in de ton zat. Dat bleek ook wel want tijdens de wedstrijd kon Peter de Prater geen kant op. Gelukkig was deze martelgang van korte duur.

De Grote Oude Kampioen maakte de partij snel af zodat beiden weer wat lucht kregen. Jongvrouw Nadien van Oost tot West en prinses Cornelia Schrikdraad hadden meer ruimte in de ton en wisten dan ook makkelijk te winnen van de dames uit Koekstad.

Als laatste werden de mix-dubbels gespeeld. Dat is altijd een heel spektakel omdat je nooit precies kan zien wat zich dan tijdens het spel allemaal in de ton afspeelt. Jongvrouw Nadien van Oost tot West was met haar gedachten al ergens anders en Peter de Prater vond het voor die dag eigenlijk wel mooi genoeg. Maar Roodpakje zat nog vol energie . Waarschijnlijk omdat hij mocht spelen met prinses Cornelia Schrikdraad op wie hij al tijden heimelijk een oogje had. Prinses Cornelia wilde op haar beurt ook wel meewerken omdat ze vond dat een winstpartij niet voldoende was voor die dag. En zo gebeurde het dat Roodpakje dan toch nog een wedstrijd wist te winnen tegen de Grote Oude Kampioen uit Koekstad. En na de wedstrijd was Roodpakje weer even luidruchtig als voorheen. Aan iedereen die het wel en vooral niet horen wilde, vertelde hij in geuren en kleuren op wat voor een grandioze manier hij De Grote Oude Kampioen van Koekstad uiteindelijk had verslagen. En alle spelers van de Ganzenstad lieten hem maar in die waan. Uitgelaten trok hij huiswaarts en hij leefde nog lang en gelukkig met de (ijdele) hoop ooit nog eens voor een wedstrijd te worden gevraagd.

“En bankdirecteur meneer Bentenvelde”, zullen jullie je nu afvragen, “wat gebeurde daar nu mee?” Wel, meneer Bentenvelde ontdekte natuurlijk al gauw dat hij vreselijk bij de neus was genomen (zo slim was hij wel), en zon dan ook op zoete wraak. Hij stuurde de invallerskaart van Roodpakje te laat naar de Nederlandse Bad en Ton Bond. Daardoor kreeg Roodpakje van de Bond een boete en werd de door hem gewonnen mix-dubbel alsnog verloren verklaard.

Moraal van dit verhaal beste lezertjes: Speel nooit vals als je de gevolgen niet kunt overzien en wees altijd dikke maatjes met de mensen die het geld beheren. Zij zijn niet voor niets zo rijk geworden.

Peter de Prater
(uit het clubblad uitgebracht februari 1996)